Alles komt goed

De deuren sluiten en de bus trekt hard op: mijn dochter wordt opgeslokt in het donker. Ik zie nog een glimp van haar, haar onzekere blik, zoekend naar een zitplaats en vertwijfeld toch maar blijven staan bij een paal.

Het is 7:12 uur – pikkedonker en haar allereerste keer met de bus naar school. Ɯberhaupt haar eerste keer met een bus. Waar ik de kinderen al vroeg heb laten ervaren hoe was het was om te reizen met de trein, heb ik haar nog nooit in een bus kunnen krijgen: met schoolreisjes was het al een ramp, waardoor ze altijd met de leerkracht in de auto meereed.

En nu ineens ‘moet’ ze met de bus. In de zomer had ze een elektrische fiets gekregen. Het idee was dat ze gewoon naar school zou fietsen, en mocht het heel slecht weer zijn, zou ze gebruik kunnen maken van haar OV-chipkaart. Maar ouders zijn er om ineens na een nacht vorst alle voornemens over boord te gooien.

En zodoende zit ze in de bus. Ik had het liever een keer met haar ‘geoefend’, maar het ging allemaal zo snel.

Gisteravond draalde ze om me heen. Ze gaf toe dat ze het spannend vond. Om half 10 sliep ze nog niet. Ik probeerde haar gerust te stellen dat ik met haar mee zou lopen naar de bus.

Uiteraard versliep zij zich vanochtend.

Aan tafel, terwijl ik haar brood smeerde, merkte ik dat de spanning opliep. Ze checkte de vertrektijd en ik stelde haar gerust. Als we vijf minuten van te voren vertrekken zijn we ruim op tijd. Het idee dat ik met haar mee zou lopen stelde haar al enigszins gerust. “Pap, wat doe ik als ik uit school de bus niet red?”, “Dan pak je een bus later, dat scheelt maar een kwartier”. Een opgelucht gezicht. “pap, wat als de bus nu een botsing krijgt? Of ineens omvalt?”, die zag ik niet aankomen. Ik heb haar verteld dat een bus heel laag bij de grond staat, en niet kan omkieperen. En een botsing? Dat merkt een bus niet eens. Ik heb haar maar niet verteld dat ze zich ook geen zorgen hoeft te maken over de donkere vaart waar ze grotendeels langs rijdt.

Ik smeer haar brood en heb een lekkernij voor haar die ik voor haar neerleg. Ze kijkt ernaar en zegt: “kijk pap! Dat is toevallig, zo voel ik me nu” 😞

Het is 7:06 uur. Ze pakt haar spullen, maar in het tempo waarmee ze ook altijd op de fiets stapt. Het besef dat een bus niet wacht zit er totaal nog niet in. Ik begin onrustig te worden, maar laat het niet merken. Ik help haar: “Check je OV, je mondkapje. Heb jij je fietssleutels voor bij het station?”

We lopen in het donker naar de bushalte. Daar controleert ze nog een keer haar spullen. “Hoe moet ik de chipkaart gebruiken?”, ik antwoord geruststellend: “doe de andere kinderen maar na: gewoon de kaart op de lezer houden”. De bus arriveert. Iedereen stapt naar binnen. Ik krijg geen kus meer, ze is gefocust. Ze scant haar kaart en blijft bij de paal staan waarna de deuren direct sluiten en de bus hard optrekt. Ik ben even bang dat ze de versnelling onderschat maar als ze de bocht door zijn zie ik haar nog staan. Geen afscheid meer – ik vang in een flits een onzekere blik op.

Ze moet het nu helemaal zelf doen. Ik heb mijn best gedaan denk ik.

Om 8:15 uur heb ik nog een appje gestuurd hoe het gegaan is. Ik heb nog geen antwoord gekregen maar ik verwacht een enthousiaste ‘goed!’

Soms moet je kinderen in het diepe gooien. Omdat je weet dat ze het kunnen. Het is de sprong in het diepe. Net zoals een collega ooit tegen mij zei:”jij gooit me steeds in het diepe, maar je trekt me altijd weer omhoog als ik dreig te verdrinken, die wetenschap dat je er altijd bent is zo ontzettend fijn!”

En eerlijk: af en toe denk ik wel eens: wie houdt mij dan vast?

Ha, het Whatsappje is binnen: ‘Ik heb het overleeft..” (taal is niet echt haar ding).

Ik ben trots. Weer een mijlpaal voor haar. Wat is dat toch relatief he.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *